Pesten op de BSO: Hoe los je het op?

jonge kind sociale veiligheid kinderopvang

Interview door Karin Broeren met Mirelle Valentijn 

Bron: Kinderopvang Totaal

Vanaf zo’n acht jaar begint het meestal: het pesten tussen kinderen. Niet alleen op school, ook op de buitenschoolse opvang. Sterker nog, júist de BSO is een omgeving die gevoelig is voor pestgedrag. Mirelle Valentijn, oprichter van Kenniscentrum Omgaan met Pesten, legt uit hoe je dit gedrag voorkomt, signaleert of oplost.

factoren die van invloed zijn op pestgedrag op DE BSO

Pesten komt overal voor waar kinderen zijn. Maar waarom is de buitenschoolse opvang dan extra gevoelig voor pestgedrag? ‘Op school of op een sportclub staat de activiteit centraal’, legt Mirelle Valentijn uit. ‘Tijdens zo’n activiteit komt pestgedrag een stuk minder voor. Juist in een vrije situatie komt het tot uiting. Bijvoorbeeld in de kleedkamer van de sportclub, of bij binnenkomst op school. De BSO is vrije tijd en veel minder gestuurd. Het kind bepaalt zelf waar en met wie hij of zij gaat spelen. Er is ruimte om uit het zicht van de pedagogisch medewerker over de grens van een ander te gaan.’ Maar dat is niet de enige reden waarom de BSO een plek is waar pesten op de loer ligt. ‘Er komen kinderen van verschillende leeftijden samen. Oudere kinderen kunnen hierbij over grenzen van de jongere kinderen gaan - en andersom. Op veel BSO’s komen ook kinderen van verschillende scholen samen; hierbij kan een strijd tussen de scholen ontstaan en ligt buitensluiten op de loer. Tot slot is de groepssamenstelling iedere dag anders, wat betekent dat de groepsdynamiek ook iedere dag anders zal zijn. Dat kan een voordeel, maar ook een nadeel zijn’. Bovendien worden conflicten van school linea recta meegenomen naar de BSO.

koppies scannen

Daarom is het voor pedagogisch medewerkers belangrijk om te kijken hoe iedereen binnenkomt. Wat voor energie voel je? Maak even met ieder kind contact. Vraag hoe het vandaag op school was. Als een kind zich bijvoorbeeld erg verveeld heeft of vandaag zelf gepest is op school, kan dat voor frustratie of kwetsbaarheid zorgen, wat weer tot pestgedrag kan leiden.'

Investeer in veiligheid 

Preventie van pesten ligt heel erg in de basis volgens de pestdeskundige. ‘Denk aan: hoe is onze BSO-omgeving? Waar zitten verborgen hoekjes en kunnen we toezicht verbeteren? Zijn er duidelijke regels voor kinderen waarvan ze allemaal op de hoogte zijn? Sturen we bij waar nodig? Maar ook: geven we als pedagogisch medewerkers het goede voorbeeld: gaan we met respect met elkaar om?’ Daarnaast moeten de kinderen natuurlijk het gevoel hebben dat ze het kunnen melden als er iets voorvalt. ‘Geef je die ruimte zonder te oordelen en bijvoorbeeld te zeggen: “Dat is geen pesten, dat is een grapje”?

 ‘Geef je ruimte aan het kind om te delen zonder te oordelen? We oordelen sneller dan we soms denken door bijvoorbeeld te zeggen: “Dat is geen pesten, dat is een grapje”? Je geeft meer ruimte aan het kind door te vragen: Hoe was dat voor jou? Wat ging er over je grens? Hoe kan ik je helpen? Sluit altijd aan bij de ontvanger van het gedrag. Als het over een grens is gegaan, moet het stoppen en dien je de betrokken kinderen daarbij te begeleiden.

Tegenwoordig hebben veel kinderen en jongeren het over “snitchen”. Maar weten ze dat snitchen (klikken) iets anders is dan voor iemand opkomen (helpen & zorgen voor elkaar)? Kinderen moeten zich veilig voelen en gesteund om hun verhaal te kunnen doen.’

zorg voor een Wij-gevoel

Zorg daarnaast voor een wij-gevoel. ‘Organiseer activiteiten met elkaar waarbij winnen en verliezen geen rol speelt. Bedenk een clubhuismotto en hang het op de muur. Ga vriendschapssoep koken. Een groep gaat zich heel erg vormen in de eerste weken na de grote vakantie, maar ook de weken na de kerst- en meivakantie zijn belangrijk. In die periode is het zaak om in de groepsdynamiek te investeren. Maak kennis met elkaar en maak BSO afspraken en regels en blijf ondersteunen en samen oefenen hoe deze na te leven.’  

Van signaleren…

Om pestgedrag op tijd te signaleren kun je zo nu en dan informele gesprekjes met de kinderen voeren volgens Valentijn. ‘Vraag bijvoorbeeld: “Met wie ga je veel om? Hoe is de sfeer? Met wie speel je graag?” En als iemand aangeeft het niet zo leuk te vinden op de BSO. “Hoe komt dat dan?” en “Gaat er weleens iemand over jouw grenzen?” Label het niet direct met pesten. Maar vraag bijvoorbeeld: “Wie doet er weleens onaardig tegen jou?” Of: “Is er iemand om wie je je zorgen maakt?” Daarnaast is informatie van ouders waardevol in het signaleren van pesten. ‘Vraag bijvoorbeeld hoe het kind thuiskomt van de BSO. Of hij of zij het nog naar de zin heeft. En vertel ook wat je zelf ziet. De informele overdrachtgesprekjes aan het eind van de dag zijn hier perfect voor. Zo houd je het luchtig.’

… tot oplossen

Pesten is een groepsprobleem, benadrukt de pestexpert. ‘Dat is belangrijk om te belichten; het is niet alleen dader-slachtoffer. Je hebt kinderen die meelopen, je hebt aanmoedigers, je hebt buitenstaanders, je hebt helpers, enzovoort. Allemaal vervullen ze hun eigen rol. De meelopers gaan meepesten, de aanmoedigers zien het als een soort entertainment en halen bijvoorbeeld meer publiek erbij. De buitenstaanders keuren het gedrag af, maar durven het slachtoffer niet te helpen en distantiëren zich. En dan heb je nog de helpers. Zij roepen bijvoorbeeld de hulp in van een PM’er of spreken de dader pester zelf aan. Ook heb je nog de helpers, de kinderen die steun bieden aan het slachtoffer, maar niet direct de dader aanspreken of een PM’er om hulp vragen. Om een pester aan te kunnen en durven spreken dien je als helper extra stevig in je schoenen te staan, omdat je tegen de groepsdruk in gaat’

‘Als je vervolgens al deze rollen in beeld hebt, vraag je je af wat iedere rol nodig heeft om dit groepsproces te stoppen. Het slachtoffer heeft bijvoorbeeld steun nodig of handvaten om op een juiste manier grenzen aan te geven. De meelopers maak je bewust over waarom zijn we hier? Een belangrijke vraag om meelopers bewust te maken is: Wat is de bedoeling van het samenzijn op de BSO? We willen toch een leuke tijd voor iedereen? Hoe kan het dat het voor dit kind zo ongezellig wordt gemaakt? Welk gedrag past beter bij jou? Hoe voelt dit kind zich hierdoor denk je?

De aanmoedigers zijn vaak uit op vermaak en doen het uit verveling. ‘Hen kun je positief vermaak geven; het zijn eigenlijk een soort ramptoeristen. Maak ze bewust van wat ze aan het doen zijn en moedig aan om dit gedrag te melden. Daarmee geef je ze een positieve rol’ Buitenstaanders kun je heel erg helpen zelf sterker in de schoenen te staan, zodat ze voor zichzelf en het slachtoffer kunnen opkomen meehelpen met voor het slachtoffer op te komen. ‘Dan kunnen zij de helpers die dit al doen, versterken.’

Online pesten

De wereld is in de afgelopen jaren enorm veranderd en het sociale leven gaat ’s middags en ’s avonds online gewoon door. En pesten daarmee ook. Dat gebeurt volledig uit het zicht van leraren en pedagogisch medewerkers. ‘En omdat deze kinderen niks willen missen, blijven ze gewoon inloggen op hun games en sociale netwerken. Online en contact pesten lopen dus door elkaar heen en zijn één wereld voor hen. Dat maakt wel dat gepeste kinderen minder ruimte hebben om tot rust te komen en hun veilige zone steeds kleiner wordt. Dat geeft ontzettend veel stress. Je kunt op het moment van online pesten vaak niet ingrijpen,  je hoort meestal pas later dat pesten zich ook online voordoet. maar Praat en vraag hier ook gericht naar bij de gepeste kinderen. Zo leer je hun situatie beter begrijpen en maak je voor hen de drempel lager om dit te bespreken.’